EEN BEROOIDE VLUCHTELING.

Het was een mooie zaterdagavond in 1991. Jan had ergens in het land een lezing in een gemeente.   Ik had een Jeugd Vereniging  op bezoek op onze evangelisatie post in Tilburg.

De telefoon ging over. Een man uit het asielzoekers centrum belde me met de volgende vraag: Hier is gisteren een man aan komen lopen uit Azerbeidzjan en die wil morgen naar de kerk. Kan dat bij jullie?” 

“Natuurlijk, zeg de broeder dat ik morgenochtend om negen uur bij de deur van het asielzoekers centrum ben”.

 “Fijn, dank u. Het is een man met zijn legeruniform nog aan, zo is hij gevlucht en grijs krullend haar”.                                                 

De volgende morgen ging ik naar het asielzoekers centrum. Een prachtige mei zondag, ik reed genietend  door het bos, alles zag er stralend uit, vogels zongen, wat een heerlijkheid en toch… en toch was er zoveel ellende en verdriet. Nood, dood, vijandschap. 

 


Zo denkend en genietend  kwam ik bij het centrum aan. Daar stond hij…inderdaad in militair uniform, sportschoenen, grijs krulhaar. We begroeten elkaar, gelukkig sprak hij goed Duits en hij vertelde, terwijl we naar Tilburg reden, in horten en stoten zijn verhaal.

Het was kort na de wende, toen het communisme viel in de landen die onder Rusland leefden. Zijn tanden waren door de KGB uit zijn mond geslagen… juist toen de vrijheid daagde. Na de zoveelste vechtpartij en nadat ze zijn huis in brand hadden gestoken, was hij gevlucht. Lopen, lopen… schuilen… wat werken voor een hap eten… Zo was hij een jaar onder weg om in Nederland te komen. De zolen van zijn sportschoenen waren helemaal door gesleten. Jan had ooit eens sportschoenen gekocht en nooit gebruikt, wat was de man blij met die schoenen, ze pasten als gegoten. Wat hij aan kleren aan had, was alles wat hij had…

Op de Evangelisatiepost waren de mensen hartelijk voor hem. s Avonds bracht iemand een grijze broek voor hem mee… maar die was zo groot en Wladimir was brandend mager. Maar wat was hij er blij mee. Iemand van de mensen op de post was kleermaker en vernaaide de broek. Weer een  ander bracht een overhemd mee en zo werd Wladimir aangekleed. Met alles wat hij kreeg was hij zielsgelukkig.

Elke zondag wilde hij naar de kerk. We kregen een heel hechte band met hem. Hij vertelde hoe zijn vader als generaal in het Russische leger, overgelopen was naar het Duitse leger. Daar moest voor geboet worden. Op een dag werd het hele gezin gevangen genomen en gedood. Wladimir was een jaar of zes. Hij mocht blijven leven en werd door de staat in een weeshuis geplaatst.

” Je kunt beter gedood worden dan in zo’n tehuis zitten”, zei hij vaak.

Zijn kindertijd was verschrikkelijk, liefde of bewogenheid had hij nooit gekend, wel veel slaag, honger en verdriet. Onder de kinderen  was veel jaloezie en narigheid.

Toen hij 18 was kwam hij vrij.  Vrij… hij had nooit vrijheid geproefd en was dronken van vreugde. Op een avond was hij met vrienden in een café, ze dronken wat en toen zei hij in een moment van overmoed, dat het communisme het ergste was dat een volk kon meemaken. Ai… de muren en deuren hadden oren, en diezelfde avond werd hij in elkaar geslagen en mee genomen.  Mee naar de uraniummijnen. Werken en martelingen ondergaan. Jaren is hij daar geweest. Honderden mannen stierven in die tijd en hij, die de dood verkoos boven het leven… bleef leven.

Toen hij te zwak en te ziek was om langer in de mijnen te werken, werd hij vrij gelaten. Maar wat heb je aan vrijheid als je lichamelijk helemaal gebroken bent? 

Na verloop van tijd kwamen zijn krachten weer wat terug en kon hij weer werken. Hij was een doorbijter, vocht om vooruit te komen.  Eind jaren ’80 werd de situatie steeds moeilijker en moeilijker. Op een dag werd zijn huis in brand werd gestoken. De strijd werd al heftiger en tenslotte had hij helemaal niets meer…

Toen vluchtte hij. Verbitterd… diep gekrenkt. Na al zijn zwerven had hij nu eindelijk een plekje met rust.

Jan nam hem soms mee als hij een lezing ergens in het land had. Daar genoot hij van, in de pauze had hij snel een groepje mensen om zich heen…. En hij vertelde maar. En hij vroeg naar allerlei dingen hier.

Hij sprak met diepe overtuiging als hij beweerde dat het communisme nooit kan worden uitgeroeid, en altijd weer de kop zal opsteken. Hij zei: “Als je het een kilometer diep onder grond begraaft, komt het toch weer boven”.

Graag wilde hij klusjes voor ons doen, dan haalden we hem. Op een morgen had Jan hem opgehaald. Ik had een broeder bij me die op Bijbelstudie zat en toen hij zag dat we Wladimir voor alles moesten ophalen, zei hij:  ”Ik heb een klein spaarpotje, dat geld geef ik aan deze broeder voor een fiets.” Ontroerend is vaak de liefde die mensen voor een broeder in nood hebben.

Hij haalde het geld op en gaf het Wladimir. Wat waren die mannen gelukkig, de een van het geven, de ander van het krijgen. Jan is een fiets met hem wezen kopen bij de fietsenmaker tegenover ons. Na die tijd kwam hij naar de kerk met de fiets, een korte broek aan, de lange broek moest netjes blijven en werd in ons drukkerijtje, achter de kerkzaal, aan getrokken voor de kerkdienst.

In het asielzoekers centrum werkte hij hard. Hij was furieus over het gedrag van de mensen daar. Ze kregen heel goed eten, werden goed verzorgd. Elke dag een drie gangenmaaltijd, en nog allerlei dingen meer. Vaak waren ze heel ondankbaar en ze staken geen hand uit om iets te doen. Wel was er heel veel commentaar op alles. In die tijd hadden wij een hond, die was goed met de komst van Wladimir! Zakken brood bracht hij mee. Hij droogde dat op het dak van de carport, in de zon.

Een gekneusd mens… diep dankbaar was hij als hij eens  bij ons mee at, als er naar hem werd geluisterd. Genietend van een stukje huiselijkheid.

Nooit had hij een huiselijk leven mee gemaakt. Hij geloofde in God, zat ontroerd te luisteren naar de preken. Het ging goed, dachten we eerst.

Maar hij werd hoe langer hoe rustelozer. Hij was doodsbang dat de marechaussee  hem van zijn bed zou halen en op het vliegtuig richting Azerbeidzjan zouden zetten.

Mensen van onze gemeente bezochten hem… maar hij kon die liefde niet aan.

We vroegen de mensen om hem minder te bezoeken, maar dat begrepen ze niet. Zelf hadden we de les geleerd in ons leven dat er op het punt van te veel contact grote gevaren lagen. 

Op een avond wilde hij weg… weg…  weg… Bij een gezin van een van onze mensen was hij. Een man met een busje vanuit het asielzoekers centrum was er bij. Dood ongelukkig, alle twee; Wladimir en de chauffeur van het busje.

We werden gebeld en gingen er heen. Wat we ook zeiden… hij moest weg. Er was niet over te praten. En hij was ziek, echt ziek van de griep die heerste, maar nog veel meer van heimwee naar zijn land.

Mijn man heeft in de auto lang met Wladimir gesproken. Maar hij was niet te bewegen, hij moest weg. Weg, weg, weg…. voor de marechaussees  komen.

In zijn wanhoop sloeg hij op een gegeven zijn handen voor zijn ogen… Hij snikte het uit…: “Wladimir will zu weinen…. Wladimir will zu weinen. Ich möchte weinen und singen, in meinem Land”.

Hij was ziek, had koorts, maar hoe mijn man ook aandrong om bij ons in huis in te kruipen tot hij beter was… Er was maar één reactie: “Nein, nein…”

En binnen wachtte de chauffeur van het busje. “Meneer, meneer, ik durf hem niet weg te brengen naar België. Wat zal Maria van me denken… Zo’n arme stakker weg brengen….” Hij snikte bijna

Als eenvoudige Brabantse, Katholieke jongen was hij de wanhoop nabij. Hij durfde niet, het kon niet waar zijn…

 

We hebben Gods Woord geopend en  met z’n allen gelezen en gebeden…en toen ging hij…

De man uit het asielzoekers centrum had de fiets van Wladimir in de bestelbus staan en een tas met kleren…

Terwijl de tranen over zijn wangen liepen startte hij zijn busje en vertrok….. Naar: nooit meer terug….

Bij Poppel heeft hij Wladimir over de Belgische grens gezet.

 

Die avond laat belde hij op: ”Meneer, zou ons lief vrouwke erg boos op me zijn? Ik heb dit niet gewild, nee, dit wilde ik niet”.

We waren allemaal erg ontdaan, later hoorden we hoe Wladimir ergens in het bos in een keet was gekropen, doodziek. Daar vond iemand hem en belde de politie. Twee weken ging hij in de cel, maar toen werd hij vrij gelaten. Maanden later heeft hij een keer gebeld, maar wij waren niet thuis, iemand anders had de telefoon opgenomen. 

In de buurt van Parijs reed hij...op zoek…ja naar wat?

Wat heeft het Woord hem gedaan? Over zijn geestelijk leven liet hij zich niet zo uit. Een mens waar we een jaar mee geleefd hebben, die we de boodschap van Gods liefde mochten aanwijzen…. en toen? Toen hebben we hem over gegeven in de handen van God. Hij kende de nood en de pijn van deze man. De Heere is een genadig en rechtvaardig God.

Eens zullen we weten hoe het afliep met deze arme, berooide zwerver op Gods aarde.