Jezus kon geen wonderen doen

Lees dit eerst met aandacht: “En Hij (Jezus) kon daar geen wonderen doen, behalve dat Hij enkele zieken  de handen oplegde en hen genas.

En Hij (Jezus, Gods Zoon) verwonderde zich over hun ongeloof; en Hij ging in de omliggende  vlekken rond en leerde”.

 Het is een vreselijk stukje Bijbel dat hier voor ons ligt. De context staat in haar geheel onderaan.

Het gebeurt in Nazareth. Daar woonde Jezus als kind. Daar roeide Hij op tot man. En juist daar, in dat stadje komt Hij op zo’n vreselijke manier in aanraking met “ONGELOOF”.

Dat ongeloof in dit stadje is zo sterk dat de kracht  van Jezus (God de Zoon) als het ware verlamt. Hij heeft verschillende wonderen gedaan. Zieken genezen, doden opgewekt…

Maar hier in Nazareth kon Hij niets uitrichten. Alles stompte af op een betonnen muur.

Ik las een mooi voorbeeld (of eigenlijk een vreselijk voorbeeld)

In het water drijft een fles. De kurk zit er goed op. Hij is echt waterdicht. Stroomversnellingen, watervallen het deert de fles niet. Ze gaat echt niet ten onder!

Zo doet het ongeloof ook zijn werk. Het sluit ons helemaal af van de werkelijkheid. Het houdt onze ogen, oren en zelfs ons hart helemaal gesloten, potdicht voor de Heiland van de wereld. Zelfs al zitten we in de kerk. Zelfs al hebben we een serieus gesprek met iemand die van harte gelooft.

Zo was het in Nazareth. Hoe vreselijk dit is blijkt wel heel duidelijk: Daarom staat het in de Bijbel.

Die kurk van ongeloof zorgt ervoor dat het Evangelie je koud laat, dat aan de hemel denken je niet blij maakt. Dat je zelfs voor de hel niet benauwd bent. En als je moedeloos en verslagen door de zorgen van het leven neerzit, dring nog de werkelijkheid van Gods bestaan niet tot je door.

Ongeloof het beneemt de prediker de vreugde van het werk in Gods Koninkrijk, het maakt de Evangelist moedeloos. En het doet een gelovige saai en uitzichtloos leven. Het neemt de smaak van de dienst van de Heere weg.

Jezus is sprakeloos in Nazareth: Hoe kan dit nou toch?

Ik kan hier niets kwijt van Mijn grote schatten. De mensen willen het niet eens aannemen. Ze steken de handen in hun zakken en laten Mij praten. Denk je eens in hoe vreselijk hard dit voor Hem geweest moet zijn. Hij groeide tussen hen op. Ze hadden ongetwijfeld allemaal wel gehoord Wie dat kind van Maria was. Maar ze moeten Hem niet.

Ze gaan Hem zelfs ontleden als iemand die niet zoveel praatjes hoeft te hebben. Hij is ook maar gewoon iemand uit ons stadje.

“Is Hij niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broer van Jakobus  en Joses, en van Judas en Simon? Zijn ook niet zijn zusters hier bij  ons? En zij ergerden zich aan Hem”.

 Ze ergeren zich groen en geel. Zien we hetzelfde niet gebeuren in onze tijd. Mensen die opgegroeid zijn met Jezus. Zondag na zondag zaten ze als kind in de kerk. Thuis werd er in de Bijbel gelezen. Psalmen geleerd als kind. Kerstfeest gevierd.

Kortom, net zoveel met Hem opgegroeid als de mensen in Nazareth.

En hoeveel jongeren doen dan net als de mensen in Nazareth! Ze kiezen een weg zonder Jezus. Ze gooien wat ze van en over Hem hoorden helemaal overboord.Toen ze dat in Nazareth deden ging Jezus weg. Geen wonder kon Hij er doen. De kurk van het ongeloof zat zo hermetisch dicht dat er geen kruimeltje in hun harten kon doordringen.

En ze dachten er niet over om de kurk uit de fles te trekken! Laat dicht, laat dicht.

Ik moet er de laatste tijd veel aan denken hoe groot de pijn geweest moet zijn voor de Heere Jezus. Hij is op weg om gekruisigd te worden. Voor deze mensen. En ze moeten Hem niet. Hij staat daar in Nazareth: “Ik zou je zo graag willen helpen. Ik heb alles wat je nodig hebt om te kunnen leven. Gelukkig te leven. En ook om te kunnen sterven. Met vreugde sterven om naar huis te gaan.

Nee! En nog eens Nee!

Dat is het antwoord van Nazareth.

Maar dat is ook het antwoord van duizenden in ons land.

“Ik zou je zo graag willen helpen. Ik heb alles voor je, voor leven en sterven. Voor nu en voor de eeuwigheid die er aan komt. Kom dan! Hoor dan toch! Mijn boodschap is niet moeilijk: Geef Mij je hart. Meer hoef ik niet”

Dan hoor je het antwoord klinken, op straat, in de huizen, op school, op de markt, in heel het land: NEE! “ Geen gezeur aan mijn lijf.”

 En toch, lieve lezer, lezeres, jongen, meisje, man, vrouw, en toch: Jezus laat je niet los. Hij komt nu alweer naar je toe. Naar jou, naar u, heel persoonlijk.

“Waarom moet je me niet? Wat heb Ik je voor kwaad gedaan? Waarom wil je niet leven?”

Jezus worstelt om je te winnen. Hij wil je redden. Hoe zoekt je eeuwig  behoud.

Wil je dan nu nog niet luisteren? Dan keert Hij zich van je af net als van Nazareth.

En Hij verbaasde zich over hun ongeloof; en Hij ging in de omliggende  vlekken rond en leerde”.

Ja, klopt, ik heb de tekst een beetje gewijzigd. Dan kun je beter begrijpen hoe de situatie was. Jezus in Zijn geboortestadje. De mensen rond om Hem heen. Mensen die Hem kennen. Die weten Wie Hij is, maar Hem niet willen.

Mensen net zoal zovelen nu nog staan  te kijken: “Wat moet ik met Jezus?” Net als in Nazareth.

Durf je het nog langer aan om jezelf buiten te sluiten.

Je te verzetten tegen Gods genade?

Jezus uit je leven te weren als onwelkome gast?

Durf je verder leven met die kurk potdicht in je hart?

Straks gaat Hij verder.

Maar dan gaat Hij echt verder. Naar anderen en naar jou/u kijkt Hij dan niet meer. Hij gaat Zijn genade niet ongebruikt laten verspillen. Hij wil Zijn genade uitgieten in harten mensen. Jongen en ouden, kleinen en groten, zwarten en blanken.

KOM MIJN ZOON, MIJN DOCHTER, GEEF MIJ JE HART!

 

 

Marcus 6:1-6

1 En Hij ging van daar uit, en kwam in zijn vaderstad, en zijn jongeren  volgden Hem.

2  En toen de sabbat kwam, begon Hij te leren in de synagoge; en velen, die  Hem hoorden, verwonderden zich, zeggende: Vanwaar komt deze dit alles,  en wat wijsheid is het, die Hem gegeven is, dat zulke daden door zijn  handen geschieden?

3  Is Hij niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broer van Jakobus  en Joses, en van Judas en Simon? Zijn ook niet zijn zusters hier bij  ons? En zij ergerden zich aan Hem.

4  Doch Jezus zei tot hen: Een profeet geldt nergens minder dan in zijn  vaderland en te huis bij de zijnen.

5  En Hij kon daar geen wonderen doen, behalve dat Hij enkele zieken  de handen oplegde en hen genas.

6  En Hij verbaasde zich over hun ongeloof; en Hij ging in de omliggende  vlekken rond en leerde.